Thema 2010

de Thijs Kramerlezing

Hans Smits foto door Loes de Jong

 

Havens moeten samenwerken en verbindingen leggen

door Rinus Antonisse

De tweede Thijs Kramerlezing stond vooral in het teken van de (haven)economie. President-directeur Hans Smits van het Havenbedrijf Rotterdam schetste een toekomstbeeld waarbij ook de ecologie nadrukkelijk een rol speelt. Geheel in overeenstemming met het gedachtegoed van wijlen Thijs Kramer, die als geen ander begreep dat economie en ecologie niet zonder elkaar kunnen. Samenwerken, verbindingen leggen en zoeken naar evenwicht zijn de kernbegrippen.

Het klinkt zo logisch. De havens in de Rijn-Scheldemonding moeten nauw samenwerken, in plaats van elkaar te vuur en te zwaard beconcurreren. Dan wordt wereldwijd een vuist gemaakt. Bovendien vaart het milieu er wel bij. Daar is geen speld tussen te krijgen. Maar het is bekend: tussen droom en daad bevinden zich vele obstakels. Grenzen, eigenbelang en grote ego’s bijvoorbeeld. Nochtans deed Smits in zijn Thijs Kramerlezing een dappere poging  een aantal hindernissen op te ruimen.

Hij erkende dat samenwerking in de Rijn-Schelde-Delta lang geen vanzelfsprekende zaak is. Een voorbeeld dichtbij huis. Toen Smits aantrad als havenbaas hoopte hij de wankele  vertrouwensrelatie  tussen Rotterdam en Zeeland te kunnen herstellen. Dat is hem tot op heden niet gelukt, terwijl wel de banden met de havens van Amsterdam en Dordrecht zijn aangehaald. Waar dat aan ligt? Smits: “Bewoners trekken zich niet zoveel aan van grenzen. Bestuurders helaas wel”.

Hij juichte de verzelfstandiging van Zeeland Seaports toe. ,,Dat leidt tot verdere professionalisering van management en bestuur. Zo zal er met andere ogen naar een Westerschelde Containerterminal worden gekeken.’’ Waarom de aanleg daarvan al tien jaar sleept, was hem een raadsel. “De besluiteloosheid over de WCT intrigeert me elke dag weer.”

De president-directeur onderstreepte dat de havens in de Rijn-Scheldemonding samen het grootste havencomplex ter wereld vormen. Dat wordt niet uitgebuit door het ontbreken van krachtenbundeling. Smits wees erop dat de Nederlandse luchthavens dat beter hebben begrepen: die hebben een gezamenlijke strategie ontwikkeld. Dat moeten de havens ook doen, zei hij. Het betekent afspraken maken over het verdelen van de activiteiten. Dus geen fijn-chemie in Rotterdam, wel in Antwerpen. En geen LPG-opslag in Amsterdam en wel in Rotterdam. Enzovoorts.

De Zeeuwse havens moeten afzien van grootschalige containerterminals, stelde Smits. “Laat ik daar helder in zijn. De komende 10-20 jaar is er geen markt voor. Niemand zet een handtekening onder een dure Westerschelde Containerterminal. Richt je energie op veelbelovender zaken als onafhankelijke tankopslag, de biochemie in de Kanaalzone en de ontwikkeling van het Dow-complex. Er gaan heel veel windmolens op de Noordzee gebouwd worden. Bouw en onderhoud kunnen een specialiteit worden vanuit de Zeeuwse havens.’’

Ieder voor zich dient taboe te zijn, aldus Smits. ,,Grootschalige projecten moeten in een totaalbeeld bezien worden. Een vierde verdieping van de Westerschelde kan en mag nooit meer alleen op zichzelf beschouwd worden. Zelfs als het ecologisch verantwoord zou zijn, wat ik trouwens betwijfel.’’ Hij achtte het gezamenlijk ontwikkelen van achterlandverbindingen door Rotterdam, Zeeland en Antwerpen noodzakelijk, ‘zoals tussen Hamburg en Bremen gebeurd is.’ Wat hem betreft wordt de groen-blauwe delta daarbij ontzien. Nieuwe infrastructuurtracés moeten worden gekoppeld aan bestaande verbindingen en aan de randen van het gebied. ,,Ik hoop dat het groen-blauwe hart dezelfde lading krijgt als het groene hart van de Randstad.’’

Om tot doeltreffende samenwerking te komen, moet het begrip marktwerking anders ingevuld worden, betoogde Smits. ,,Dat heeft een verkeerde kleur gekregen. Het is te ver doorgeschoten. Het algemeen belang moet als politiek begrip terugkomen. We moeten weer durven ingrijpen in de marktwerking. Er is slagkracht nodig als antwoord op de wereldwijde economische ontwikkelingen. Bij de havens gaat het om de primaire relatie tussen het havenbedrijf en haar klanten.’’ Het verdelen van activiteiten – en dus minder inzetten op een economische wedloop – is ook noodzakelijk uit milieuoogpunt, meende hij. ,,De A-merken onder de grote ondernemingen willen graag investeren in duurzame gebieden.’’

De president-directeur toonde zich voorstander van havenbedrijven in handen van de overheid. ,,De leiding moet niet in handen zijn van mensen uit de private sector die naar winstmaximalisatie streven.’’ Dat maakt het ook gemakkelijker om samen op te trekken. Smits brak een lans voor oprichting van een bestuurlijk platform van provincies, steden en directies havenbedrijven. Eerste taak: een economische visie voor de Rijn-Schelde-Delta ontwikkelen. Noodzaak is daarbij een pro-actieve uitvoeringsorganisatie, anders wordt het net zo’n vrijblijvend vehikel als het bestaande (vrijblijvende) Rijn-Schelde-Delta-overleg. Gezellige gesprekken en het eten is prima, maar resultaten ho maar.

Smits, die zijn loopbaan begon bij de Deltadienst van Rijkswaterstaat en een aantal jaren op Schouwen-Duiveland woonde en werkte, ging kort in op de deltawerken. ,,Uiteindelijk blijkt dat we toch 40 jaar na dato de conclusie moeten trekken dat de ecosystemen niet in evenwicht zijn gehouden. Dat is ons niet gelukt. We staan voor een hele nieuwe opgave: een tweede golf van waterbouwkundige innovaties. De dynamiek terugbrengen, zodat de kwaliteit van de ecosystemen weer verbetert.’’

In de paneldiscussie haakte Joost Schrijnen, programmadirecteur Zuidwestelijke Delta, daarop in. ,,Het gaat om het heelmaken van de héle Delta, dus niet alleen om Zeeland. We moeten een evenwicht tot stand brengen tussen een maakbare civieltechnische delta en herstel van de ecologie.’’ Roline de Wilde, regiodirecteur Natuurmonumenten Zuid-Holland en Zeeland, hoopte dat de groen-blauwe Delta dezelfde warme gevoelens bij mensen gaat oproepen als bij de Waddenzee het geval is. ,,De mensen staan nu nog een beetje met hun rug naar de delta.’’

Sas van Rouveroij van Nieuwaal, raad van bestuur Haven van Gent en Vlaams parlementslid, onderschreef de oproep voor een bestuurlijk platform dat de verdeling van activiteiten oppakt. Niet eenvoudig, vreesde hij. Verwijzend naar de koele relatie tussen Rotterdam en Zeeland, merkte Van Rouveroij op dat ‘de tegenstellingen tussen de Vlaamse havens net zo groot zijn als in Nederland.’

De pleidooien voor daadkracht, samenwerken en verbindingen leggen, zouden Thijs Kramer uit het hart gegrepen zijn. Wat dat betreft zorgde de tweede lezing voor een goed gevoel. De organisatoren hadden geleerd van de weeffoutjes die de eerste lezing bevatte en de opzet aangepast, met maar één inleiding. Nog wel met een – kennelijk onvermijdelijke, maar weinig opleverende –  paneldiscussie. Bovendien ruime mogelijkheden voor netwerken. Vooraf, in de pauze en achteraf. Daar werd in het Middelburgse stadhuis royaal gebruik van gemaakt. De belangstelling was zo groot, dat niet alle aanmeldingen konden worden gehonoreerd.